De avonturen van een
uitleenboek (2)
Inmiddels
waren er twee weken verstreken. Hoewel er wel enkele nieuwsgierige mensen
voorbij waren gekomen, was er tot nu toe niemand die belangstelling voor mij had getoond. Ach,
ik beschouwde deze stilte maar als een welverdiende rust na al dat gereis van
het ene naar het andere magazijn afgelopen tijd. Ik had uiteindelijk sinds het
moment dat ik van de pers was gerold ook nog geen echte ‘vakantie’ gehad.
Toen
voor mij het moment aangebroken was dat
ik inmiddels meer dan drie weken ’uitleen loos’ in de boekenstelling van de
Bibliotheek had gestaan en ik aan mezelf was gaan twijfelen of ik hier ooit
weer vandaan zou komen, bleef tot mijn blijde verrassing iemand ter hoogte van
mij staan. Zo te zien was het een dame die, na enig heen en weer geloop, mij
met haar slanke handen vastpakte en me van mijn plaats trok. Haar handen
voelden warm aan toen ik omgekeerd werd, terwijl zij de tekst op de achterflap las. Zou het dan toch echt gebeuren? Mijn
beide kaften werden van elkaar gehaald, en de vrouw bladerde met een aandachtige
blik door mij heen, wat bij mij een aangename siddering teweeg bracht. Nadat ik
nogmaals door haar van alle zijden bekeken was, nam ze mij zowaar onder haar
arm mee, op weg naar de uitleenbalie. Mijn dag kon niet meer stuk! Na het
benodigde stempel te hebben ontvangen, werd ik liefdevol in een mooie, lederen
schoudertas gestopt. Ik had het rijk alleen, aangezien er verder niets in de
tas zat. Mijn ‘boekenhart’ begon sneller te kloppen. Waar zou ik nu terecht
komen? Wie was deze vrouw en waar woonde zij?
Hoe
lang zou ik bij haar mogen blijven? Opnieuw moest ik aan de woorden van de
filosoof Emanuel Kant denken, die zich destijds
afvroeg: ‘Wat kan ik doen’? Nou, ik in ieder geval niks op dit moment. Ik moest
maar afwachten, hetgeen niet zonder spanning
ging. Nadat de vrouw de
bibliotheek had verlaten, volgde er een korte wandeling naar een groot plein,
waar haar auto geparkeerd stond. Voorzichtig legde zij de schoudertas met mij
erin naast zich op de stoel in de auto. Voor mijn gevoel volgde een lange autorit.
Ik was daarom ook blij toen de auto
stopte. Met een zwierige beweging kwam ik op de rug van de vrouw terecht. Ik
hoopte dat zij mij goed zou behandelen!
Ik
had inmiddels in de bibliotheek namelijk
verhalen van andere boeken gehoord,
die
tijdens hun verblijf elders niet bepaald zachtzinnig behandeld waren en met
pijnlijke ezelsoren terug waren gebracht. Brrr, ik moet er niet aan denken.
Een
ander boek had mij zelfs verteld, dat hij een paar maal op de grond was
gesmeten, en daar hardhandig terechtgekomen was.
Het
was een mooie klassiek ingerichte kamer, waar ik terecht kwam. Met vreugde
ontdekte ik een grote bordeauxrode houten
boekenwand, gevuld met honderden boeken, die er allemaal goed
uitzagen. Dit was tenminste een echte boekenkast, in plaats van zo’n metalen
kast waar ik in de bibliotheek in stond. Nadat ik met veel liefde uit de leren tas
was gehaald, kwam ik op een met stof beklede kruk naast haar stoel te liggen. Er lagen meer boeken, die het waarschijnlijk
niet fijn vonden, dat ik bovenop hen kwam te liggen. Blijkbaar waren zij al
gelezen, of waren nog bezig gelezen te worden? De avond viel, en er gebeurde
niets. Inmiddels had ik de omgeving wat
verkend, en was het mij nu duidelijk waarom ik zo warm was. Ongeveer drie meter
voor mij brandde een grote open haard.
De
vlammen likten aan brokken hout, die met regelmaat door de vrouw vanuit een
korf op het vuur werden gegooid. Het was voor mij wel even wennen om in plaats
van in de boekenkast te staan, nu op een kruk naast een fraai beklede stoel te
liggen.
De
vrouw, Sofie genaamd, -ik had haar naam horen noemen toen zij de telefoon had
opgenomen -, zat, gekleed in een fraai donkerrood huispak in haar stoel diverse tijdschriften
door te bladeren, die na te zijn gelezen in een rieten mand werden gelegd. Het
was inmiddels al laat geworden toen Sofie
op diverse plaatsen lampen begon te doven. Zou ik hier de nacht door moeten brengen? Ook het vuur van de open haard doofde langzaam, en het werd daardoor wat
frisser in het vertrek, wat ik niet erg vond. Nadat ook de laatste lamp in de
kamer gedoofd was, zag ik Sofie op mij afkomen. Zij pakte mij van het krukje, en liep met mij
onder haar arm de kamer uit, een trap
op. Ik kwam in een mooie kamer terecht, waar een keurig opgemaakt bed stond.
Vervolgens werd ik op een soort van kastje gelegd dat naast het fraaie
hardhouten bed stond. Een sierlijk lampje met stoffen kapje straalde een
vrolijk licht uit. Vol verwachting wachtte ik met spanning de gebeurtenissen
af. Ergens hoorde ik water stromen, deuren dichtslaan, en ja hoor, daar kwam
Sofie de kamer weer in.
Een week later.
Het
is inmiddels een week later. Ik lig nog steeds op het nachtkastje in de slaapkamer
van Sofie, en wordt s’ ochtends niet mee naar beneden genomen.
Toch
wel een eenzaam bestaan hoor. Bovendien is het overdag aan de frisse kant,
vanwege het feit dat de ramen van haar weelderig uitziende slaapkamer overdag
wijd open staan. Ik kijk iedere dag alweer uit naar de avond, hoewel mijn
gezelschap soms heel laat boven komt. Gisteravond was het wel erg laat toen
Sofie naar bed ging. Nadat zij in bed gekropen was, werden er slechts twee
hoofdstukken van mij gelezen. In totaal is Sofie nu vijf verder. Nog vijftien hoofdstukken te gaan,
eer ik hier waarschijnlijk weer vandaan kom.
Ik
moet opnieuw aan de bekende filosoof Emanuel Kant denken, die zich onder andere
ook afvroeg: ‘Wat mag ik hopen’? Wat ik
hoop is, dat er spoedig een dag zal aanbreken, dat Sofie mij s’ ochtends mee
naar beneden neemt, en ik gedurende haar afwezigheid in de warme woonkamer mag verblijven. Soms
sluipen gevoelens van heimwee naar mijn ‘Bibliotheekboek vrienden’ bij mij
binnen.
Want
stel dat Sofie mij binnen de vastgestelde uit leenperiode van drie weken uit
gelezen heeft, dan moet ik hier dus nog twee weken in de slaapkamer blijven
liggen. Na het lezen s’ avonds word ik naast haar op het bed neergelegd. Op
zich niet verkeerd natuurlijk. Beter dan op het harde nachtkastje, maar toch…
Voor de rest mag ik niet klagen. Sofie gaat
zorgvuldig met mij om als een goed lezer betaamd te doen. Af en toe voel ik
haar slanke warme handen over mij glijden, en na het lezen krijg ik een
bladwijzer tussen mijn bladzijden geschoven.
Ondanks
al deze privileges, bekruipt mij het
verlangen naar de warme kamer beneden, met al de keurig verzorgde boeken in de
prachtige boekenwand. Nu ik hier al een week op haar slaapkamer lig, ben ik ook
niet in gelegenheid om beneden rond te kijken tussen de verschillende genres
boeken die daar tevreden staan pronken.
Vanaf
het begin van mijn literaire bestaan, ben ik nogal leergierig ingesteld
namelijk. Niet voor niets behoor ik tot het literaire genre boeken met een
filosofische inslag. Mijn vrouwelijke auteur heeft uiteindelijk heel wat werk
gehad om mij tot stand te laten komen. Uit de periode dat ik bezig werd om een
manuscript te worden, weet ik mij nog te herinneren, dat mijn auteur
belangrijke filosofen heeft geraadpleegd, die zij naast haar eigen inbreng vele
malen heeft geciteerd.
Zij
was vooral geïnteresseerd in de begrippen TIJD en DENKEN. Vandaar dat de titel
die ik heb gekregen ook ‘De tijd en
Denken Voorbij’ is geworden.